Belastingswaarden productnorm IEC 61537:2006
In Duitsland is de DIN EN 61537:2007 09 – "Geleidingssystemen voor kabels en leidingen, kabeldraagsystemen voor elektrische installaties" de actueel geldende uitgave van de IEC 61537:2006. Deze definieert de eisen en testen voor kabeldraagsystemen, die voor het dragen en onderbrengen van kabels en leidingen en andere elektrische bedrijfsmiddelen in elektrische installaties of communicatiesystemen zijn bedoeld.

FAQ – eisen conform de productnorm
Welke algemene eisen worden aan kabeldraagsystemen gesteld en waar worden deze vastgelegd?
Welke testeisen gelden voor kabeldraagsystemen?
Hoe moeten kabeldraagsystemen gemarkeerd zijn?
Welke informatie moet in de montagehandleiding voor kabeldraagsystemen zijn te vinden?
Welke informatie over kabeldrager lengten moet de montagehandleiding bevatten?
Classificatie
Alle kabeldraagsystemen worden conform hoofdstuk 6 van de productnorm IEC 61537 via een cijfersysteem geclassificeerd. Daaraan kan de gebruiker direct zien, welke eigenschappen een kabeldraagsysteem heeft.
| 6.1 | Materiaal |
|---|---|
| 6.1.1 | Metalen bouwdeel |
| 6.1.2 | Niet-metalen bouwdeel |
| 6.1.3 | Gemengde constructie |
| 6.2 | Weerstand tegen vlamuitbreiding |
|---|---|
| 6.2.1 | Vlamverspreidend |
| 6.2.2 | Niet vlamverspreidend |
| 6.3 | Elektrische geleidingseigenschap |
|---|---|
| 6.3.1 | Zonder elektrische geleidingseigenschap |
| 6.3.2 | Met elektrische geleidingseigenschap |
| 6.4 | Elektrische conductiviteit |
|---|---|
| 6.4.1 | Elektrische geleidend systeemonderdeel |
| 6.4.2 | Elektrische niet-geleidend systeemonderdeel |
| 6.5 | Corrosie/oppervlakken |
|---|---|
| 6.5.1 | Niet-metalen systeemonderdelen |
| 6.5.2 | Stal met metalen oppervlaktebehandeling of roestvast staal |
Klassen 0 – 9D
| Klasse | Referentiemateriaal en oppervlaktebehandeling |
|---|---|
| 0a | geen |
| 1 | Galvanisch verzinkt met een minimale laagdikte van 5 µm |
| 2 | Galvanisch verzinkt met een minimale laagdikte van 12 µm |
| 3 | Thermischverzinkt (bandverzinkt) conform Grad 275 volgens EN 10327 en EN 10326 |
| 4 | Thermischverzinkt (bandverzinkt) conform Grad 350 volgens EN 10327 en EN 10326 |
| 5 | Thermischverzinkt (per stuk verzinkt) met een minimale laagdikte van 45 µm conform ISO 1461 |
| 6 | Thermischverzinkt (per stuk verzinkt) met een minimale laagdikte van 55 µm conform ISO 1461 |
| 7 | Thermischverzinkt (per stuk verzinkt) met een minimale laagdikte van 70 µm conform ISO 1461 |
| 8 | Thermischverzinkt (per stuk verzinkt) met een minimale laagdikte van 85 µm conform ISO 1461 (normaal gesproken hooggelegeerd siliciumstaal) |
| 9 A | roestvast staal, vervaardigd conform ASTM: A 240/A 240M – 95 a identificatie S30400 of NEN-EN 10088 klasse 1-4301 zonder eindbehandelingb |
| 9b | roestvast staal, vervaardigd conform ASTM: A 240/A 240M – 95 a identificatie S30400 of NEN-EN 10088 klasse 1-4404 zonder eindbehandelingb |
| 9C | roestvast staal, vervaardigd conform ASTM: A 240/A 240M – 95 a identificatie S30400 of NEN-EN 10088 klasse 1-4301 met eindbehandelingb |
| 9D | roestvast staal, vervaardigd conform ASTM: A 240/A 240M – 95 a identificatie S30400 of NEN-EN 10088 klasse 1-4404 met eindbehandelingb |
a Bij materialen, zonder vastgestelde classificatie voor corrosiebestendigheid. b Het eindbehandelingsproces wordt gebruikt om de bescherming tegen corrosie van eventuele scheuren en contaminatie van andere staalsoorten te verbeteren. | |
| 6.5 | Corrosie/oppervlakken |
|---|---|
| 6.5.3 | Aluminiumlegering of andere metalen |
| 6.5.4 | Met metalen of organische coating |
| 6.6 | Temperaturen |
|---|---|
| 6.6.1 | Minimale temperatuur -50 °C / -40 °C / -20 °C / -15 °C / -5 °C / +5 °C |
| 6.6.2 | Maximale temperatuur +150 °C / +120 °C / +105 °C / +90 °C / +60 °C / +40 °C |
| 6.7 | Perforatie van het bodemoppervlak van de kabelgootlengte |
|---|---|
| A | ≤ 2 % |
| B | > 2 % |
| C | > 15 % |
| D | > 30 % (IEC 60364 5 52) |
| 6.8 | Perforatie van het bodemoppervlak van de kabelgootlengte |
|---|---|
| X | ≤ 80 % |
| Y | > 80 % |
| Z | > 90 % (IEC 60364 5 52) |
| 6.9 | Slagvastheid |
|---|---|
| 6.9.1 | Tot 2 J |
| 6.9.2 | Tot 5 J |
| 6.9.3 | Tot 10 J |
| 6.9.4 | Tot 20 J |
| 6.9.5 | Tot 50 J |
Mechanische belastingstesten voor het bepalen van de veilige werklast (SWL)
Een belangrijke kerntaak van de norm is het verifiëren van de verstrekte gegevens over de veilige werklast in een vergelijkbaar en reproduceerbaar kader. Dat wordt met verschillende testmethoden gerealiseerd. Voor de praktische toepassing is het belangrijk dat de verbindingsstukken worden aangebracht zoals beschreven in de handleiding of de gegevensbladen van de fabrikant, omdat de veilige werklast anders niet kan worden gegarandeerd.
Over het algemeen moeten twee beproevingen worden uitgevoerd, de minimale en de maximale temperatuurtest. Bij stalen componenten is het voldoende, alleen bij een temperatuur binnen het bereik van -20 °C tot +120 °C te testen, omdat door de temperatuurverandering de eigenschappen conform de norm met niet meer dan 5% van de gemiddelde waarde van de eigenschapswaarde afwijken.

Alle testprocedures schrijven voor dat een voorbelasting van 10% bij kabeldragerlengtes en 50% bij draagelementen op de testmonsters wordt uitgeoefend om vervorming mogelijk te maken. Vervolgens wordt de belasting weer weggenomen en worden de vervormingen vanuit deze toestand gemeten.
Alle testobjecten worden eerst met de nominale veilige werklast (SWL) belast en wanneer deze test wordt doorstaan, wordt de belasting verhoogd tot 1,7 maal de veilige werklast.
Het eerste faalcriterium is de toegestane vervorming onder de nominale veilige werklast. Daarbij mag de lengtedoorbuiging van de kabeldragerlengten en de hulpstukken niet groter zijn dan maximaal 1/100 van de steunafstand en de dwarsdoorbuiging niet groter dan maximaal 1/20 van de nominale breedte (kabeldragerlengten, hulpstukken, draagelementen). Bovendien is de dwarsvervorming onder SWL bij consoles tot maximaal 30 mm begrensd. Een profiel mag onder SWL maximaal 1/20 van de lengte doorbuigen. Natuurlijk mogen hierbij de testobjecten en verbindingen geen zichtbare schade of breuk oplopen.
De lengtedoorbuiging wordt in het midden van elk veld [ab] en [bc] als berekende gemiddelde waarde van de linker en rechter buitenzijde (1 en 3) van een kabeldrager gemeten. De dwarsdoorbuiging wordt op dezelfde plaats als verschil tussen de meetwaarde van de sensor in het midden (2) van de kabeldragerbodem en de gemiddelde waarde van de lengtedoorbuiging (ø13) bepaald.
Het tweede faalcriterium is, dat onder verhoogde 1,7-voudige last het systeem niet mag instorten. Ernstige vervorming en doorbuiging zijn echter wel toegestaan.
Speciale belastingen, zoals de zogenaamde manlast, sneeuw, regen, ijs, wind, seismische invloeden of thermische spanningen, worden met deze methoden niet getest. Conform de norm worden sneeuw, windbelasting en andere omgevingsgevaren beschouwd als zijnde niet de verantwoordelijkheid van de fabrikant. Met deze invloeden moet de ontwerper van de installatie zo nodig rekening houden.
In principe worden met deze methodiek de veilige werklast (SWL) van de kabeldragerlengten, de verbindingen,, de hulpstukken en de draagelementen beproefd.
De beproevingen voor multivelddragers, gemonteerd in verticaal vlak met horizontale looprichting (typische toepassing in energiecentrales), en voor stijgtracés, gemonteerd in verticaal vlak met verticale looprichting, zijn in de actueel geldige versie van de norm nog in behandeling. Het nieuwe normontwerp voorziet hiervoor in een gestandaardiseerde beproeving. Voor de toepassing in energiecentrales kan OBO Bettermann nu al enige belastingswaarden conform deze norm aantonen.
Voor de volledigheid moet hier worden verwezen naar de zogenaamde slagvastheidsbeproeving conform IEC 60068-2-75. Hierbij wordt achtereenvolgens op verschillende proefstukken een hamer met een bepaalde massa vanaf een vooraf bepaalde hoogte eerst op het grondvlak of de sport en vervolgens op elk zijdeel laten vallen. Na de test mogen de testobjecten geen tekenen vertonen van vernieling en of vervorming, die de veiligheid kunnen beïnvloeden.
| Slagkracht [J] | Massa hamer [kg] | Valhoogte [mm] |
|---|---|---|
| 2 | 0,5 | 400 |
| 5 | 1,7 | 295 |
| 10 | 5,0 | 200 |
| 20 | 5,0 | 400 |
| 50 | 10,0 | 500 |

Kabeldragerlengten als multivelddrager
Men spreekt van een multivelddrager, wanneer een samenstel van kabeldragerelementen (goten of ladders) en draagelementen meer dan één veld tussen de steunpunten overspant, dus meerdere steunafstanden heeft. Dat is een belangrijk installatietype van kabeldraagsystemen.
De meeste kabeldraagsystemen worden met de bodem in een horizontaal vlak gemonteerd en verlopen ook in horizontale richting. Voor dit type installatie schrijft de norm vijf verschillende testtypen voor, die aan bepaalde voorwaarden zijn gekoppeld. Daardoor moet het veilige bedrijf onder alle omstandigheden worden gewaarborgd.

| Testtype | Omstandigheden |
|---|---|
| I |
|
| II |
|
| III |
|
| IV |
|
| V |
|
Kabeldragerlengten als eindvelddrager
Wanneer een sectie van een kabeldraagsysteem uit kabeldragerlengten en twee op het einde van de sectie opgestelde steunpunten bestaat, spreekt men van een eindvelddrager. Dus een enkelvoudige steunafstand. Dit kan het geval zijn bij het oversteken van gangen of bij de bouw van hallen bij het oversteken van de ene naar de andere steunpilaar, als het kabeldraagsysteem niet continu over meerdere velden doorloopt, d.w.z. als het systeem bij elke steun eindigt. Deze begrenzing van multivelddragers is belangrijk, omdat de belasting op het systeem bij dezelfde kabellast per meter verandert.
Met name worden ook enkelvelddragers in horizontaal vlak gemonteerd met horizontale looprichting. Bij de test moet de verbinder in het midden van het veld worden geplaatst, wanneer niet anders door de fabrikant wordt gespecificeerd.

Hulpstukken
Voor hulpstukken (bocht, T-stuk, kruising), gemonteerd met de bodem in het horizontale vlak met horizontale looprichting van het systeem, schrijft de norm ook een test voor, wanneer het hulpstuk zelf niet door een montage-element wordt ondersteund. De afstand Y tot de volgende drager wordt door de fabrikant gespecificeerd.
Consoles
Consoles worden voor gebruik aan de wand of een profiel getest (afbeelding 1). De belasting volgt op twee plaatsen, wanneer de console voor kabelgoot en kabelladder is geconstrueerd (afbeelding 2). Wanneer de console alleen voor kabelgoten is geconstrueerd, volgt de belasting gelijkmatig over meerdere punten (afbeelding 3). Daardoor wordt de console minder sterk belast en bereikt hogere veilige werklasten. Wij bij OBO Bettermann testen over het algemeen altijd de minst gunstige situatie, want zo garanderen wij, dat de veilige werklast altijd wordt bereikt.
De afbeeldingen tonen de normatieve testopstelling.






Profielen
De zogenaamde hangprofielen worden aan drie beproevingen onderworpen.
Beproeving van het buigmoment van profielen op plafondplaten (afbeelding 1) met bij voorkeur 0,8 m profiellengte. De specificatie van de veilige werklast volgt als M1 in Nm of kNm.
Beproeving van de treksterkte van profielen respectievelijk de kopplaat (afbeelding 2) als specificatie SWL als F in N of kN.
Beproeving van het buigmoment van profielen met consoles (afbeelding 3), specificatie met M2 in Nm of kNm. Deze beproeving moet voor lengten L = 0,5 m, 1,0 m en 1,5 m worden uitgevoerd, voor zover de artikelen in het productassortiment aanwezig zijn. Daarbij worden de profielen in combinatie met de dikste en grootste voor het profiel geadviseerde consoles gemonteerd beproefd.
Een ondergeschikte rol spelen de beproevingen voor een in het midden (symmetrisch) bevestigde console (afbeelding 4) en voor profielen met aan de uiteinden bevestigde consoles/plafondophanging (afbeelding 5). De laatste wordt in de volksmond ook wel schommel genoemd. Hierbij worden twee draadstangen als op trek belaste elementen of hangprofielen met een horizontaal verlopend buigstijf profiel als gootsteun gebruikt.










Veilige installatie van profielen met consoles
De installatie van een hangprofiel met console wordt als veilig beschouwd, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan.
- De opgelegde belasting op elke console is minder dan de veilige werklast, die voor de afzonderlijke consoles is gespecificeerd (10.8.1).
- Het buigmoment van profielen met consoles M2 zelf is minder dan de veilige werklast voor de gebruikte profiellengte (10.8.2.3). De interpolatie tussen de testresultaten van verschillende lengte is toegestaan.
- Het resulterende buigmoment op de plafondplaat M1 en de resulterende kracht F liggen in het veilige bereik (SAFE AREA).




Elektrische tests
Producten die aan deze norm voldoen, zijn bij normaal gebruik passief ten opzichte van elektromagnetische invloeden (uitzending en immuniteit). Wanneer kabeldragersystemen als onderdeel van een bekabelingsinstallatie zijn geïnstalleerd, kan de installatie elektromagnetische signalen uitzenden of daardoor worden beïnvloed. De mate van beïnvloeding is afhankelijk van het wezen van de installatie in uw bedrijfsomgeving en van de op de bekabeling aangesloten apparaten.
Conform IEC 61537 worden de elektrische geleidingseigenschappen of de elektrische isolatie-eigenschappen beproefd. Dat is afhankelijk van hoe het systeem is geclassificeerd.
Kabeldraagsystemen conform 6.3.2 als "met elektrische geleidingseigenschappen" geclassificeerd, moeten voldoende elektrische geleidbaarheid hebben, om de potentiaalvereffening en de verbinding(en) met aarde te waarborgen, wanneer dit afhankelijk van de toepassing van het kabeldraagsysteem nodig is. Hierbij wordt het systeem, bestaande uit twee kabeldragerlengtes en de bijbehorende connector, doorstroomd met een wisselstroom van 25 A bij een nullastspanning kleiner dan of gelijk aan 12 V (AC 50 – 60 Hz). Een eerste spanningsval wordt telkens over een traject van 50 mm naast de verbinder gemeten. De daaruit resulterende impedantie (overgangsweerstand) mag niet meer zijn dan 50 mΩ. Verschillende verbinders moeten (indien aanwezig) afzonderlijke worden beproefd. Een tweede spanningsval wordt over een traject van 500 mm zonder verbinder gemeten. De daaruit resulterende impedantie mag niet meer zijn dan 5 mΩ/m.
Kabeldraagsystemen conform 6.4.2 als "elektrisch niet-geleidend systeemonderdeel" geclassificeerd, gelden als niet geleidend, wanneer de specifieke oppervlakteweerstand groter is dan 100 mΩ. Kabeldraagsystemen van metaal met een coating worden in principe als geleidend beschouwd

Brandgevaar
Een kabeldraagsysteem kan over het algemeen geen brand veroorzaken, alleen een bijdragen aan een brand. Voor het dimensioneren van kabeldraagsystemen schrijft de norm voor dat niet-metalen gemengde materialen, die door elektrsiche fouten aan abnormale warmte worden blootgesteld, moeilijk ontvlambaar moeten zijn. Daarvoor wordt de gloeidraadbeproeving conform IEC 60695-2-11:2000 paragraaf 4-10 met een gloeidraadtemperatuur van 650 °C uitgevoerd. Niet brandverspreidende systeemonderdelen mogen niet ontbranden of moeten een begrensde brandverspreiding hebben.
Aanvullende informatie

Overzicht kabeldraagsystemen
Robuust, betrouwbaar, duurzaam – leer kabeldraagsystemen beter kennen en ontdek meer over corrosie, oppervlakken en materialen.

Het passende kabeldraagsysteem vinden
Hoe kiest men het juiste kabeldraagsysteem voor een installatieproject? Wij laten u zien, waarom bijvoorbeeld kabelvolume en kabellast belangrijke criteria zijn.

Windbelastingen: daarmee moet bij het ontwerpen rekening worden gehouden
Wind kan een echte test zijn bij de installatie. Hier ontdekt u, hoe u kabeldraagsystemen betrouwbaar beveiligt tegen windbelastingen.

Beproefde kwaliteit – overzicht certificaten, normen en keurmerken
Van ISO tot en met UL: ontdek, welke certificaten en keurmerken de kwaliteit en veiligheid van onze kabeldraagsystemen nationaal en internationaal bevestigen.

Beveiligt tegen storingen: EMC-afschermingsdemping bij kabeldraagsystemen
Elektromagnetische storingsvelden kunnen uitval van complete installaties veroorzaken. Magnetische afschermingsdemping door passend geïnstalleerde kabelinstallatiesystemen zorgt voor bescherming.